Piet Chrispeels overleden

 We vernemen het overlijden van Piet Chrispeels. Hij werd 82 jaar oud. Piet zal in ieders geheugen gegrift blijven als de priester die het opnam voor de jeugd en de natuur. Hij gaf vele jonge mensen kansen en liet iedereen het bijzondere verhaal van de natuur kennen.  Piet droeg vorig jaar nog mee de dialect-kerstmis op in de kerk van Gooik en in september mocht hij nog zijn boek over De Paddenbroek voorstellen.

We wensen dat zijn familie en vrienden veel moed kunnen putten uit dit bijzonder levensverhaal. We mochten van Jean-Paul De Loecker van de Gooikse Heemkundige Kring het interview overnemen dat hij had ter gelegenheid van de uitreiking van de cultuurparel 2011.

Uitvaart op 4 januari 2025

 Lees ook:

Het hobbelige parcours van Paddenbroek

50 jaar priester

Het levensverhaal van Piet Chrispeels

Over de balans tussen natuur en cultuur

Jean-Paul De Loecker / Piet Chrispeels

Tijdens een bijeenkomst in De Paddenbroek, als voorbereiding op de uitreiking van de cultuurparel 2011, vertelde Piet Chrispeels honderduit over een aantal pijlers in zijn leven. Met als toehoorders Piet Verbeke (voorzitter van de Gooikse cultuurraad), Johnny Van Bavegem en mezelf, kwam het verhaal er zeer vlot, doorspekt met allerlei anekdotes, die getuigen van het feit dat Piet nog een fenomenaal sterk geheugen heeft. Zijn levensverhaal geeft ook aan dat hij een mens is met een grote culturele bagage, maar ook met een sterk gevoel voor de natuur. Die combinatie is de rode draad in zijn leven.  (Inleiding)

De kinderjaren

De Paddenbroek is een belangrijk referentiepunt in het leven van Piet. Op Pinksteren 1942 werd hij er geboren. Midden in de oorlog op een boerderij vol leven. De helft van de familie zat hier rond zijn grootouders Petrus en Berlindis samengestroomd, want in die benarde tijden was hier werk en eten. Vele handen waren er nodig om het fruit te plukken in de grote boomgaard, de oogst te maaien en het vee te hoeden. Als kleine speelvogel werd hij hier op handen gedragen en deed hij ervaringen op die als een onderstroom in zijn hele leven aanwezig zullen blijven.

Einde 1944 – begin 1945 verhuisden zijn ouders Jozef en Madeleine, met zusje Christiane naar St-Kwintens-Lennik, naar de “Bloemenhof” in de Kroonstraat. Het huis van vrederechter Claes: een ruime villa, omgeven met een prachtige tuin, vol vreemdsoortige bomen en heesters, met een groententuin, met schapen en kippen op het neerhof, en met warempel een kleine bijenhal. In het huis was er centrale verwarming en stromend water … Hij woonde er als kleine prins, rechtover de Jongensschool, die hij vanaf het 1ste leerjaar bezocht.

In 1947-48 bouwden zijn ouders een huis aan de toenmalige Lenniksebaan – nu St-Kwintenbaan – op een stuk landbouwgrond van één hectare. Hier herhaalde zich zijn korte voorgeschiedenis.

Vader Jozef legde ook weer een boomgaard aan, met een weide vol schaapjes, later opgevolgd door een Jersey koetje, met een bijhorende bijenhal, enz …

In compensatie voor de hand- en spandiensten van zijn oom Désiré ging hij verder helpen op de boerderij van de Paddenbroek, en dat nog vele jaren later.

Deze plek was dus niet uit zijn gezichtseinder verdwenen: als kleine knaap mocht hij er zowat alles doen o.a. op het veld met het paard rijden, weldra als volleerde boer. Hij zag er ook de bedelaars langskomen en voddenrapers, die op het stort metalen kwamen zoeken.

Als 10-11 jarige ging hij ook als hulpje met kersen naar de markt van Vlezenbeek …

Je ziet: jong geleerd is oud gedaan!

De lagere school (1948-1954)

Tot zijn 5e leerjaar ging hij in St-Kwintens-Lennik naar school, waar hij een mooie tijd meemaakte. ’s Morgens was het vroeg vertrekken geblazen: te voet over 2 km, met een zware boekentas, waarin ook boterhammen en een kruikje koffie, twee kleine zusjes aan de hand.

Tijdens de middag mochten de leerlingen zonder toezicht in de klas blijven. Wat hen, naast het aanspreken van de boterhammetjes, de kans gaf het bord met de herhaling van de geziene leerstof vol te schrijven, kleurtekeningen incluis, die de hele dag mochten blijven staan.

Vanaf het 6de leerjaar moest hij op advies van zijn vader naar Brussel, naar het Sint-Jan-Berchmanscollege (Urselinnenstraat 4, 1000 Brussel). Vanaf de vertrekplaats aan het Rouppeplein was er volgens hem steeds een zitplaats vrij op de overvolle tram. Kwestie van op weg naar huis de tijd te nemen om de geziene leerstof te herhalen.

In dat 6e jaar had hij in het begin wel wat problemen met zijn gezondheid: zijn eerste trimester moest hij bijna helemaal missen door een ziekte. In het tweede trimester haalde hij slechts 6 op 20 voor Nederlandse spraakkunst! Geen goed resultaat voor iemand die in Lennik bij de besten behoorde.

Dan kwam het derde trimester, met een verkiezing van de beste student van de 6de studiejaren. De meester ‘verplichtte’ de leerlingen om voor een bepaalde kandidaat te stemmen, maar Piet weigerde dat, omdat hij die een ‘dikkenek’ vond. Hun kandidaat haalde het niet en de meester was ontstemd en dwong een aantal jongens te zeggen dat ze niet voor die kandidaat gestemd hadden. Ook Piet moest dat toegeven en kreeg van de woedende meester te horen dat hij er niet door zou zijn op het einde van het jaar. Maar dan was er zijn vriend Luc Van der Noortgate (uit Itterbeek) die hem hielp en hij geraakte er toch nog door (hij haalde 16 op 20 voor Nederlandse spraakkunst!)

Als hij een paar jaar later diezelfde meester ontmoette en die vroeg dan hoe het met hem was, zei hij: ”Van de 19 jongens uit dat 6de studiejaar zijn er nog 3 over , waaronder ik.”

De humaniora (1954-1960)

Zijn humaniora doorliep Piet van 1954 tot 1960 in datzelfde St-Jan-Berchmans-college. Hij getuigt in een anekdote dat er weinig sprake was van eenheid in de klas, omwille van een aantal tegenstellingen (Franstaligen versus Nederlandstaligen, stedelijke bourgeois en “boerkes” van den buiten).

Deze anekdote gaat als volgt. De eerste dag van zijn laatste jaar humaniora was hij verzeild geraakt in een groepje van ’n zestal medeleerlingen, die noodgedwongen aan de laatste vrije tafel in de refter samen moesten zitten. Onder hen, een zekere Michel – van “hogere komaf”, polyglot en later assistent “geneeskunde” aan de K.U.L. –, die aan tafel slechts Frans sprak met een andere leerling (ook een Brusselaar!), terwijl Piet er bijzat en er tegen hem niets gezegd werd … Michel, hierover aangesproken door een tafelgenoot, poneerde boutweg dat hij alleen maar praatte “met zijn gelijken”. Van discriminatie gesproken! Piet reageerde hierop door in een Nederlands opstel brandhout te maken van het hele opvoedingsproject van de Jezuïeten … Met de daarop volgende reactie van de leerkracht en de rector zelf!

“Deze en andere kleinerende vernederingen hebben van mij een radicale democraat gemaakt”, aldus Piet.

Wanneer Piet in 1960 afstudeerde was hij, op één na, quasi de énige van zijn generatie in Gooik met een diploma van de humaniora op zak.

Deze periode is zich later, terwijl hijzelf op dat niveau lesgaf, meer en meer als een trauma in zijn psyche gaan vastzetten. Weinigen van zijn leerjaar zouden in de gegeven omstandigheden, o.m. met een vader, die 2 jaar lang ziek en werkonbekwaam is geweest, de eindstreep hebben bereikt. Zijn leerkrachten hebben geen enkele inspanning gedaan om zich omtrent zijn moeilijke familiale situatie te informeren.

Het seminarie van Mechelen (1960-1966)

Op het einde van de grote vakantie anno 1960 schreef hij zich in op het St-Jozefseminarie, IJzerenveld te St-Katelijne-Waver. Een reusachtig gebouw in een 15 hectaren groot park, met een grote vijver en zelfs een laagstam appel- en perenboomgaard. Hij kwam er ook terecht in een totaal onbekend landschap, met ongezien grote oppervlakten vol groenten (bloemkool, asperges, tomaten, enz …) en bloemen (paasbloemen, narcissen, orchideeën (firma lens), chrysanten), met drassige weilanden langs de Dijle (’t Zennegat) en welriekende pijnboom- en dennenbossen (Bonheiden, Keerbergen, …). Qua sfeer kon het contrast met zijn collegejaren niet groter zijn.

Zijn medestudenten kwamen uit alle hoeken en steden van de provincies Antwerpen en Brabant. Vlamingen, Walen en Brusselaars, “vroege” en “late” roepingen; deze laatsten hadden vaak reeds enkele jaren werkervaring achter de rug. Het onderwijs was er van hoog niveau, waarbij geopteerd werd voor moderne werkvormen en zelfstudie.

De concentratie in leefgroepen (“compagnies”) van de streekgenoten o.l.v. een inwonende professor speelde in op de noodzaak in groep te leren samenwerken en …  samenleven. “Ik heb deze periode als zeer positief ervaren. Wij werden vrienden voor het leven”, aldus Piet.

Niettemin speelde hier ook het heimwee naar huis! Vooral als men bedenkt dat men twee maanden lang van huis weg was, waar ondertussen de kleine zusjes en broertje volop groot werden …

“Wanneer je geestesgenoten hun valies maakten en van het seminarie weggingen, dan werd het moeilijk om te blijven … Als het groen hout gebroken wordt, wat zal er dan met het dorre geschieden?! … De crisis in de Kerk voelden wij toen reeds aan de lijve”, aldus nogmaals Piet.

De overstap naar het Groot-Seminarie De Merodestraat 18 in 1963-1964 luidde een nieuwe periode in zijn leven in, die weeral eens contrasterend was met wat hij voordien meemaakte.

Hij verbleef er 3 jaar op een grote kamer in de “Quartier Noble”, vlak onder de galm van de beiaard op de St-Romboutstoren. Mechelen was een fascinerende stad van een groots verleden, met een bruisend leven van nering en handel, van kunst en cultuur in historische gebouwen, concerten, tentoonstellingen, evenementen allerhande, enz …

“In het open seminarie ten tijde van het Tweede Vaticaans Concilie, dat de ‘venster op de wereld opengooide’, mochten wij daar volop aan meedoen.”

Een tweetal anekdoten illustreren de open geest die er waaide.

Een eerste.

Op de grote feestdagen moesten de studenten op het Seminarie blijven tot na de vespers in de St-Romboutskathedraal, die pas rond 16u eindigden. Vanaf dan mochten zij naar huis.

“Met Kerstmis 1963 was ik door de slechte weersomstandigheden pas om 22u ’s avonds thuis gekomen. Met het hoogfeest daarop – Pasen 1964 – wilde ik dat kost wat kost vermijden. Ik vroeg aan de president of ik vóór de middag weg mocht. Dat kon niet! Ik vluchtte evenwel om 13u via het Pelikaanstraatje weg naar het station en stootte op de president … Die ook huiswaarts spoorde! Ik vreesde het ergste … maar, warempel, met Kerstmis 1964 mochten wij na de hoogmis in de kathedraal vóór de middag reeds naar huis …”

Een tweede anekdote.

Op het Groot-Seminarie mochten de studenten in principe elke zondagnamiddag op stap. Sommigen uit het Mechelse, Brussel, Antwerpen gingen vlug over en weer naar huis. Zelf ging Piet zelden naar huis, gelet op de lange reis en de kosten. Hij bleef er vaak 2 maanden aan één stuk. Intussen kwam er weinig nieuws van het thuisfront door. Af en toe een brief, waarin werd verzwegen en verbloemd wat er thuis omging.

Zo kwam hij op een verlengd weekend even thuis en moest er constateren dat vader ziek was en alles in het honderd liep. Niets was aangevat om op de boerderij de lente in te gaan. Hij zag zich verplicht gedurende 8 dagen thuis te blijven om al het achterstallig werk in te lopen.

En – hoe onwaarschijnlijk voor die tijd – het mocht van de president!

“Maar, kijk uit dat je lukt in je examens”, zei de brave man.

De universiteit (1966-1970) en het college (1970-2000)

Na zijn seminariejaren volgde Piet nog 4 jaar de faculteit “Wijsbegeerte en Letteren, afdeling Moderne Geschiedenis.”

Het was op het einde van deze studies dat hij zijn verhandeling met als titel “Het kerkelijk leven in de dekenij St-Pieters-Leeuw (1572-1789)” afwerkte. Het betrof hier een bijna encyclopedisch werk dat 41 parochies uit de Zennevallei en het Pajottenland raakte. Het leek wel een onmogelijke opgave die talloze bezoeken aan het Rijksarchief en andere archieven vergde. Tegelijk was hij studentenbegeleider (“subregent”) in een studentenpeda – het Justus Lipiuscollege in de Minderbroederstraat – wat stond voor veel divers werk, dat in blijvende contacten met de toenmalige studenten – ondertussen dokter, advocaat, enz geworden – tot heden zijn vervolg heeft.

Op voorstel van zijn promotor Prof. Jozef De Smet, tevens president van de peda, werd hij aangezocht assistent te worden aan de faculteit. Kardinaal R. Suenens bij monde van zijn secretaris W. Brieven vond dat geen goed perspectief en stuurde hem naar het St-Pieterscollege te Jette, waar hij 3 op rustgestelde priesters moest vervangen.

Hier heeft hij zich dan helemaal met al zijn capaciteiten gegeven en er 30 legendarische jaren meegemaakt. Wie af en toe één van zijn oud-leerlingen of oud-collega’s tegen het lijf loopt, moet zich maar eens nader informeren.

 

De Chiro

Piet is een chiroman in hart en nieren, vermits hij zijn ganse carrière heeft afgewerkt bij de Chiro van Gooik, en dat vanaf 1953 als jongknaap, burchtknaap … om uiteindelijk als leider te eindigen. Hij herinnert zich nog de miserabele omstandigheden waarin aan chiro moest worden gedaan: geen heem, geen speelweide, geen spelgerief … Tot grote frustratie van de leiding. Bovendien lagen ze in zekere zin onder de knoet van hun proost Jules De Gendt, die met de beste bedoeling nogal eens op het pedagogische vlak verkeerd uitpakte.

Rond 1968 stapte de toenmalige oud-leiding naar de pas benoemde pastoor Jos De Smedt, die in zijn vorige parochie van Heverlee veel werk had gemaakt van nieuwe scouts- en chirolokalen, met de vraag te zorgen voor een chiroheem.

Samen met zuster Heleen zocht en vond hij een plekje op het kloosterdomein, 100 m ver van de begane weg, op een idyllische boomgaard met wollige schaapjes. Tijdens de paasvakantie van 1969 werden het grondvlak en de fundamenten uitgegraven, waarop dan tijdens het bouwverlof door de metsersploeg van Cyrille Wauters (Rilleman) de ruwbouw werd opgetrokken. Pas in 1972 werd dit heem ingehuldigd. Maar vlug bleken de lacunes: er was geen sanitair, geen pakruimte, geen leidingslokaal …In 1977 begon reeds de uitbreiding met gerecupereerd bouwmateriaal uit de afgeslagen Braekeleer en de afvalhoop op de steenbakkerij van Willy De Handschutter te Lembeek. In 1983: dan werd de laatste steen vastgelegd … Na heel wat peripetieën werd tenslotte in 1995 een pakhuis opgetrokken, met sanitair, pakzolder en bureelruimte, andermaal met – in de mantel van het gebouw – de bakstenen van de afgebroken schuur en stallingen van het klooster.

“Ik heb niets anders gedaan dan de droom van de leiders van mijn generatie, en van latere waargemaakt: de realisatie van een polyvalente speelruimte voor kinderen en jongeren, in een uniek natuurkader, dat tot de verbeelding spreekt”, aldus Piet.

Gedurende meer dan 30 jaar bleef Piet de verantwoordelijke van het domein – weleens het “Waly-Piet” genoemd – samen met Patrick De Buys als vast personeelslid.

Vanaf 2004 heeft hij de eindverantwoordelijkheid op quasi alle vlakken aan Ivan Bardijn doorgegeven, recentelijk bijgestaan de Geert De Marie, die dagdagelijks het werk van het nieuw personeelslid Joël superviseert.

Een beetje in de zijlijn van het chiro-gebeuren, mogen we toch ook niet vergeten dat Piet samen met een aantal leiders en aspiranten naar de buurt van het ‘Leerbeekbos’ trok om aan opgravingen te doen. Dat was op de site van de Steenberg, waar men op heel wat materialen stootte van Romeinse oorsprong. “We besloten toen wijselijk niet verder te gaan met de opgravingen,” vertelt Piet, “we vonden te veel belangrijke relicten om zo maar met onze groep te gaan graven. Dus hebben we mensen zoals een René Borremans (Museum Halle) verwittigd om de zaken professioneel aan te pakken. Maar het is wel het begin geweest van het archeologisch onderzoek in het Gooikse en op de Kesterheide!”

De Paddenbroek

Dit voorlopig laatste hoofdstuk in het leven van Piet begint op de grond waar het voor hem allemaal startte in zijn jeugd: de Paddenbroek. Hoe het idee er kwam, wordt ook beschreven in het boek ‘Op de sofa van de Kesterheide’. Het huis, waar hij zoveel mooie momenten had beleefd in zijn jeugd, kwam te koop in 1986 en in maart 1987 kocht Piet het huis met de omgevende grond. De eerstvolgende jaren werd het huis verhuurd.

Wanneer hij later (in 2001) ook de overige omliggende gronden kon aankopen, stelde zich een vraag naar een zinvol gebruik van het geheel. Via een project, goedgekeurd door Pajottenland+, kon begonnen worden met het opstarten van het natuur- en educatief centrum ‘De Paddenbroek’. Stilaan werd de droom verwezenlijkt: verschillende soorten boomgaarden, een bijenpaviljoen, een amfibieënpoel, een educatieve moestuin, en nog zo veel meer.

Ondanks vele moeilijkheden – zowel menselijke als financiële – ziet het er toch naar uit dat ‘De Paddenbroek’ op weg is om een vaste waarde te worden in het Gooikse: de scholen uit het omliggende hebben dit centrum ontdekt, er is de jaarlijkse geboorteboomactie, er zijn tal van evenementen met steeds meer geïnteresseerden, enz.

In ieder geval is ook hier het aspect natuur en het sociale aanwezig. Het is eigenlijk een voortzetting van het werk in de chiro, waar ook een gebouw midden in de natuur werd geplaatst. Hier is de open ruimte nog meer aanwezig en zijn er nog veel meer kansen om in de toekomst uit te breiden. Op termijn wordt de Paddenbroek een klein paradijs op loop-afstand van het centrum van Gooik met een boomgaard vol vruchten, een bijenhal en –paviljoen, een bakoven, een werkatelier, vergaderruimtes, enz … In de planning zit ook de inrichting van een winkeltje voor de verkoop van de eigen producten …

Zo wordt de Paddenbroek een zaad – mede door de verkoop van aloude fruitsoorten – dat onze regio nog groener maakt. Meteen valt er zo wat te zien en te beleven voor jong en oud in de eigen educatieve aanpak, die ook anderen kan inspireren.

Zo is de levensdroom van Piet stilaan aan het uitkomen: cultuur brengen in harmonie met de natuur. Die twee elementen zijn nog af en toe in conflict: er is de fysieke arbeid (fruit plukken en verkopen) die soms de geestelijke arbeid verdringt: het schrijven van artikels voor het ledenblad, of voor de Heemkundige Kring. Zoveel kan nog verteld worden, maar daarvoor moet er even tijd worden genomen. En dat is nu net wat Piet veel te kort heeft. Een duidelijk dilemma!

Afscheid

De pastorale zone Pepingen-Gooik nam half september vorig jaar tijdens een viering in de kerk van Oetingen officieel afscheid van Piet Chrispeels. Piet Chrispeels woonde toen in het woonzorgcentrum Eyckenborgh in Gooik. Er klonken  vanuit de Gooikse chirogemeenschap woorden van lof voor Piet Chrispeels die zich tomeloos inzette voor de jeugd en zelfs eigenhandig het chirolokaal Uidekrij bouwde met weinig geld en materialen. Daarna volgden zaal Familie, de Niko, de Paddenbroek,...

Reactie:

Kris Baert:

"Ik noem hem altijd 'priester-arbeider' en dat is niets gelogen. Ik herinner mij een-jawel- Kerstavond dat ik hem , bij lichte sneeuwval aantrof bij het chirolokaal, waar hij oude stenen aan het afkuisen was...om ze later in de opbouw van het lokaal te gebruiken... Dat beeld vergeet ik nooit... Zowel Michel Doomst, als mijn broer Jo, Jean-Pierre Schoukens en Erik De Rick hebben enorm veel geleerd van hem.
Hij was een inspirator, een motivator, die onze levens wandel ook wel van een zeer kritische kant bekeek..."

“Een fantastische mens is veel te vroeg van ons weggegaan. Een vriend die ons zoveel geschiedenis heeft achtergelaten”, reageert Jean-Paul De Loecker van de Heemkundige Kring van Gooik, dat in september nog ‘De Paddenbroek’ uitbracht. Dat boek vertelt het verhaal achter het levenswerk van Piet Chrispeels, het educatief centrum Paddenbroek. Voormalig burgemeester Michel Doomst reageerde op het overlijden. “Onze tweede vader is niet meer. Eens onze Chiroproost altijd onze Chiroproost. Padre for ever”.

 


Nieuws melden Adverteren op Persinfo?