Maandelijks brengen we een gedicht van Maurits van Liedekerke onder de rubriek: MAANDSTOND

Twee fietshelmen
De fietstocht had ze deugd gedaan,
hij voelde zich Remco, zij Lotte;
die koppige met de klinkende naam.
Een ganse dag reden ze door het land van hun dromen,
de heuvels van Glooiingen op en af.
Dan eens hij, dan weer zij,
op kop zonder om te kijken…
Een kerkkapel voorbij, een watermolen,
een linde in groot ornaat. Plots een vogelschrik,
door najaarswinden uiteen gewaaid.
In hun dorp reden ze een ommetje,
proefden uit één glas van elkaar.
Wat zeggen wou:
jij nipt aan mij, ik nip aan jou.
Hun fietshelmen bleven achter,
vergeten in het gauw.

Wilgenblaren vallen af, waaien weg,
ver weg, vergaan.
Maar na de winter groeit dra
hún nieuwe lente…
Maurits van Liedekerke
Foto: © FotoSfeer