Reveil brengt levensverhalen van Paul Mersch en Pieter Claes.

Op Allerheiligen doorbrak ‘Reveil’ voor de vijfde keer de stilte in de Sint-Martinuskerk van Tollembeek. Reveil wil mensen samenbrengen, mensen dichter bij elkaar krijgen in gedachten, dit met een vleugje muziek, een gedicht of een lokaal levensverhaal. ErGoed Galmaarden-Tollembeek-Vollezele met Luc Cromphout, Herman Vanden Herrewegen, Luc Matthijs, Ludo Van Paepegem en Tom De Cooman slaagden er opnieuw in om vele dorpsbewoners in beweging te brengen richting de kerk van Tollembeek. Dit jaar koos erGoed terug voor levensverhalen van twee figuren uit de nabije omgeving, traditiegetrouw muzikaal ondersteund met de muziekvereniging Amicato onder leiding van Leen Dubois en de trouwe voorlezers Yolien Mertens en Kelly Bergmans beiden van de toneelvereniging Wilskracht en Vreugd Galmaarden, Marie-Rose Bellemans van de toneelvereniging Help Elkander Vollezele en Diane Mertens. 
 
Lees verder onder ons videoverslag
 
 
     
                             
Foto:  De trouwe voorlezers erGoeder Ludo Van Paepegem, Kelly Bergmans, Yolien Mertens, Diane Mertens en Marie-Rose Bellemans
 
     
 
Meer en meer mensen hebben er de behoefte aan om iets meer te doen op Allerheiligen dan een bloempje neer te leggen. Reveil wil mensen samenbrengen, mensen dichter bij elkaar krijgen in gedachten. 
 
Ludo Van Paepegem verwelkomde de talrijke aanwezigen in een volle kerk waarmee vervolgens ‘Reveil’ werd ingeleidt met een gedicht van Winnie Belpaeme. 
 
 
                                                                Tranen ………, rare dingen zijn het ….
 
                                                  Weet je, soms verwacht ik ze en komen ze helemaal niet.
 
                                                              Soms zijn ze d’ er opeens, plots, ongevraagd.
 
                               Lopen ze rollend over mijn wangen. Een spoor van verdriet achterlatend op mijn gezicht.
 
       Als ik alleen ben, veeg ik ze zelfs niet altijd weg. Ze horen bij mij, zoals jij en het schrijnende verdriet om je heengaan.
 
  Een sluier van droefnis bedekt mijn dagen. Het lijkt wel of de tijd – voor mij, voor ons – is blijven stilstaan op de dag dat je stierf.
 
   Ik kijk nu naar Het Leven, naar de mensen rondom mij. Maar ik heb het gevoel dat ik geen deel uitmaak van hun Wereld. Zij leven       verder; ik ook, maar een deel van mij is gestorven, samen met jou.
 
Herinneringen die alleen wij samen hadden, kan ik nu niet meer met jou delen. Niet meer, nooit meer. Ik doe zó mijn best om ze in mij vast te houden, om je niet nog meer te verliezen. Maar soms voel ik dat ik ook mijn herinneringen kwijt geraak …
 
              Hoe mis ik je aanwezigheid, je tedere aanraking, je stem, geur, de manier waarop jij, en alléén jij, naar mij keek.
 
Voor deze vijfde editie slaagden erGoed er terug in om twee figuren uit de nabije omgeving in het daglicht te zetten. Mensen van “tussen de mensen” die op één of andere manier hun stempel hebben achtergelaten binnen de lokale gemeenschap. Paul Mersch, een schrijver-dichter maar vooral een landbouwer uit Vollezele en Pieter Claus, een soldaat onder Napoleon uit Galmaarden. 
 
                                          
 
• Paul Mersch, een landbouwer uit Vollezele,  geboren op 11 mei 1902, schreef van jongs af aan graag gedichten, verzen en verhalen. Naast het vele werk op de boerderij maakte hij steeds tijd vrij om te schrijven. Hij overleed op 82-jarige leeftijd. 
Hij was nauw betrokken bij het Vollezeelse dorpsgebeuren, een toneelstuk voor de plaatselijke toneelgroep, een tekst, een gedicht over de alledaagse dingen op en rond de hoeve. 
 
Een schrijver bracht uit zijn werk “Uit de kinderjaren van Polleken” van aan de zijlijn, een soort eigen biografie: 
 
Dat ik Polleken goed gekend heb, valt niet te betwijfelen. Wij zijn samen opgegroeid en hebben op dezelfde schoolbanken gezeten. En omdat hij een bewogen jeugd heeft gehad, heb ik zijn herinneringen opgeschreven.
 
Hij was bepaald geen kwajongen. - Neen. Het was eerder een schuchter manneken dat meer in zijn mars had dan men zou vermoed hebben. Ten teken van inlichting werd Polleken geboren in Vollezele, in de zuid-westhoek van Brabant, aan de Oostvlaamse grens, tussen Edingen en Ninove. Hij zag er het daglicht in de Bakkersstraat in 1902. Zijn geboortehuis staat niet ver van de kerk en vijftien minuten van de hoeve alwaar zijn vader Cyrille werkzaam was als zoon van den huize. Want dat gebeurde toen der tijde veel dat boerenzonen thuis bleven werken nadat zij getrouwd waren en ’s avonds in het huis van de ouders van hun vrouw kwamen overnachten. Dat was ook het geval voor de ouders van Polleken. Zijn vader kwam iedere avond aldaar aan precies op hetzelfde uur om daar nog enkele karweitjes te verrichten daar men er een paar koeien op nahield, benevens herberg en winkel.
 
Op heel jonge leeftijd trok Polleken aan de hand van een ouder buurmeisje, elke dag 3 km ver naar de strenge nonnekesschool in Herne waar ze heel jong de letters en de cijfers moesten leren. Na hun 6 jaar konden kinderen pas terecht in het schooltje van Vollezele waar hij in de klas van mevrouw Ballings zat. Het jaar nadien zat hij bij meester Jaak Ballings zelf, aan wie hij een aardige herinnering bewaarde. Lang heeft hij bij Meester Ballings niet gezeten want een paar maanden later ging deze naar het ministerie in Brussel werken gezien de functie van hoofdonderwijzer aan zijn neus was voorbijgegaan.
 
Intussen was men in zijn geboortedorp aan de paardenfokkerij begonnen. Remi Vanderschueren die misschien wel de pionier van de veredeling van het paardenras mag genoemd worden, trok in die tijd met enkele prachtige hengsten de wereld rond.
Paardenfokken werd de bron van welvaart in Vollezele. Ook grootvader Paulus was een fokker. Ze verhuurden de Mersch-hoeve in de Haagstraat en huurden het grotere Hof Ter Haegen wat verderop. Tot 35 kweekmerries werden er gehouden voor de opfok en het werk op het land. Het bezoek van de Kroonprins aan Vollezele was bij iedereen bijgebleven. Polleken werd misdienaar, volgde lessen muziek bij de fanfare. Hij werd stilaan een grote kerel. Na de hoogste klas in Vollezele, de klas van meester Coppens, moest en zou Paul verder studeren en frans leren. Op naar het college van Edingen en dit elke dag met de fiets op en af. Om met de fiets over de steenweg te mogen, WO I was ondertussen begonnen, had men een vergunning van de Duitsers nodig. Na het voorbereidende jaar mocht hij naar het 1e jaar humaniora. En zo waren wij op een eentonig ritme van school en vakantie doorspekt met hier en daar een verrassende oorlogsgebeurtenis in het voorjaar van 1916 geraakt. Toen op een ochtend de rust verstoord werd door de eerste Zeppelins die over vlogen na bombardementen. Het voorval op de hoeve van zijn grootvader was ook markerend. Grootvader overleed van verdriet nadat hij zijn geliefde paarden zag gemonsterd worden door de Duitsers om te dienen in de oorlog.
 
Maar de oorlog begon steeds meer roet in het dagelijks bestaan te gooien. Paul zat inmiddels in zijn 4e jaar humaniora. De fietsvergunningen werden ingetrokken en het college werd bezet en moest het onderricht stoppen. Paul moest aan de slag en zijn handen uit de mouwen steken op de hoeve van zijn vader.
 
Ondertussen had Paul al een redelijke vorming genoten. En het was Jaak Ballings die aan Paul de passie voor het schrijven doorgaf en zijn invloed was later zeer goed merkbaar in Paul ’s toneelstukken. Het is ook deze Jaak Balling die rond 1916 samen met Remi Mersch (broer van Paul ’s vader) de toneelgroep “Helpt Elkander” heeft opgericht met als doel: eigen geschreven operettes te brengen en met de opbrengst de soldaten aan het front wat te helpen.
 
Bij het zien van de toneelstukken van Ballings kwam Paul zo zeer onder de indruk en hem stimuleerde om zelf te beginnen schrijven. Ballings las deze eerste proeven na en herkende meteen een rasechte toneelschrijver. Ballings moedigde hem aan en stond hem bij met raad en daad.
 
Na zijn huwelijk met Juliette Dero, vestigde Paul zich met zijn gezin in Vollezele in de Repingenstraat net beneden de kasseien van de Congoberg, pal aan de provinciegrens, op een kleine boerderij en bleef daar tot op latere leeftijd. Er kwam een dochter en een zoon. Hij bleef wie hij was, een boer “een mens van het land”. Schreef ongekunstelde toneelstukken en bleef gedichten schrijven; om het met zijn eigen woorden te zeggen: “hij schreef in het kiekenkot”. Leefde eenvoudig niets in zijn huis verwees naar zijn schrijfpassie. Na het  overlijden van zijn vrouw bleef hij in de Repingenstraat wonen met zijn zoon.
 
Zo liet hij een 20-tal toneelstukken na, meestal over gebeurtenissen die zich ontwikkelden en afspeelden in de sfeer van gemakkelijke humor, blijgeestigheid en lollige goedmoedigheid. Hij hield steeds voor ogen “mensen eens goed te doen lachen”. De lach en het plezier van de anderen, waren zijn lach en zijn plezier. Een begenadigd volksmens die leefde tussen, en schrijvend voor het volk.
 
Zijn meest gekende werken zijn: Boerenbloed, Vijf dagen verlof (uit 1940 klucht over de mobilisatie in een klein fabriek), Het varken op de tafel (uit 1945), De rare suikernonkel (uit
1964), Burgemeester Vinck. Dichtbundel: dichterlijke pennevruchten…
 
                                                             Al de dagen (Paul Mersch)
 
                                                            Al de dagen die ‘k mocht leven,
                                                            In gezondheid, liefde en vreê.
                                                            Zullen nimmer wederkeren.
                                                            Maar ik ben er mee tevreê
 
                                                            Want ik zag ook slechte dagen
                                                            Dagen vol van narigheid
                                                            Die het heil van vele volken
                                                            Brachten in d’ onzekerheid.
 
                                                            Oorlog, sterfte, ziekte, rampen,
                                                            Alles wat maar slecht kon zijn
                                                            Moest ik trachten te bekampen
                                                            Om er heelhuids nog te zijn.
 
                                                            Maar er waren zotte dagen
                                                            Dans en leut’ hals over kop
                                                            Die het leed deden vergeten
                                                            Want men was er bovenop.
 
                                                            Al de dagen die ‘k nog leven
                                                            Zal, als ’t God hierboven wil,
                                                            Zal ik trachten te beleven
                                                            Zonder morren, vroom en stil.
 
                                                            Want wat baat het heibel zoeken
                                                            Als het anders ook kan gaan
                                                            Als ons heil uit alle hoeken
                                                            Wordt bedreigd in ons bestaan?
 
                           
                                                                    Op de foto: de familie Mersch
 
Na het levensverhaal van Paul ‘Polleken’ Mersch volgde een tekst van het liedje geschreven door Lieven Vandenneucker & Eddy Peremans bij het heengaan van Lieven’s moeder. KOKher/ Muziek – Eddy Peremans
 
                                                        Bladerend door de krant, Begin ik aan mijn dag
                                                        Even zwart als koffie, Die nooit zwarter zag
                                                        Ik wrijf slaap uit mijn ogen, rek me somber uit
                                                        Geen broodkruimel te vinden, alleen nog wat beschuit.
                                                        Ik ga niet naar de winkel, de bakker is te warm
                                                        Ik heb geen zin in koken, voel me liefst wat arm
                                                        Ik speel de grijze muis, die knabbelt aan beschuit
                                                        De dag is grote poes, straks haalt ze naar me uit.
                                                        Ik mis een kleine schakel, die de ketting sluit
                                                        Heb nood aan vaste waarden, hou vast, komt me goed uit
                                                        Het klinkt wel niet zo vrolijk, ’t is moeilijk te verteren
                                                        Doodgewone dingen, ze worden ritueel
                                                        Geen mens staat erbij stil, hoe weinig of hoeveel
                                                        Ik vind niet echt een antwoord, op vragen hoe het moet
                                                        Vergeten of verloren, ’t gaat zonder ook soms goed.
                                                        Ik mis een kleine schakel, die de ketting sluit
                                                        Heb nood aan vaste waarden, hou vast, komt me goed uit
                                                        Het klinkt wel niet zo vrolijk, ’t is moeilijk te verteren
                                                        Iemand missen leer je niet, ik zal het nooit verleren.
                                                        Een beetje uit balans, ik ben verloren zoon
                                                        Al liep ik zelf niet weg, uit een vergeten droom
                                                        Ik zoek nog wel een antwoord, je lang vertrouwde lach
                                                        Loop straks na mijn beschuit voort, in ’t ritme van de dag.
 
 
Het tweede levensverhaal ging over soldaat Pieter Claus, een soldaat, een held onder Napoleon. 
 
Pieter Claus was een simpele boerenzoon uit Galmaarden, die zijn eigen leven trachtte te redden in de gruwelperiode onder Keizer Napoleon. Miljoenen onwetende jongens bekochten zijn oorlogshonger met hun leven. Voor de slag om Moscou werden er maar liefst 600.000 jongens ingelijfd. Het leger dat terugkwam bestond nog uit 20.000 man.
 
Gekende feiten in het hele verhaal.
 
Rond 1785 verhuisde Petrus Josephus Claus samen met zijn vrouw Catharina Sirjacobs van Bever naar de hoeve op het gehucht Rode in Galmaarden. Ze kregen 7 kinderen waaronder 3 zonen. De oudste Johannes Franciscus geboren in 1781 is met hoge waarschijnlijk opgeroepen om te dienen onder Napoleon maar vluchtte en dook later op in Friesland. De tweede zoon Guilliaume, 6 jaar jonger werd ook onder de wapens geroepen en doorliep de keuring. Hij begon zijn dienst op 10 februari 1807 als fuselier. Ze waren tijdelijk gekazerneerd in Venlo en op 24 mei is hij er vanonder gemuisd en is naar zijn broer in Friesland getrokken. De oudste van de broers, Johannes Franciscus, kreeg in 1813 van de Friese gemeente “Bergum”, waar hij woonde, een document met toelating om naar Galmaarden terug te kunnen gaan, maar heel merkwaardig duikt Franciscus nooit op in Galmaarden en deserteur Guilliame leeft in Friesland verder met het paspoort van zijn oudere broer. Guillaume leeft daar ongehuwd verder met Auke Halbes met wie hij 6 kinderen heeft (allemaal Claus-en). De jongste zoon van de familie in Galmaarden, spilfiguur in het verhaal rond de kapel, beleefde zijn jeugd en werkte op de hoeve op de Roen. Tot op heden konden we geen enkel verwijzing naar zijn soldatentijd onder de Keizer en van de lotgevallen vinden in enig archief. Waarschijnlijk hebben we nog niet goed genoeg gezocht. Maar het mondeling doorvertelde verhaal, al dan niet geromantiseerd, zal toch enige verborgen waarheden bevatten.
 
Het verhaal van de “Kapel H.Kruis en O.L.V. Hulp der Christenen”
(P J Claus 1865)
 
Petrus Carolus Claus, alias Pieter, werd ten tijde van Napoleon door Franse legeroverheden opgeëist als soldaat. Bij de belegeringen van Moscow deserteerde hij. Hij vond een voorlopige schuilplaats onder een bakoven op een boerderij. Hij hielp de boer bij een kalving en mocht bij de boer wat op krachten komen. Na overleg met de boer besloot hij naar zijn vaderland terug te keren. Op een nacht rond Kerstmis hielp de boer hem op weg en gaf hem een hond mee als gezelschap. Hij deed hem verstaan dat hij door het volgen van de “hellewagen”, het sterrenbeeld van de Grote Beer, zijn vaderland zou terugvinden. Overdag verschool Pieter zich in hooi- en stromijten en reisde ’s nachts door barre kou en wind. Door de vele en grote ontberingen liep hij polderkoorts op. Totaal
uitgeput deed hij de belofte: voor zijn ouderlijke woning een kapel te zullen bouwen indien hij veilig zijn thuis zou bereiken. Sint-Rochus als patroonheilige tegen besmettelijke ziekten, zou een ereplaats krijgen.
 
Na maanden van honger, lijden en pijn belandde hij tijdens de hoogmis van Pasen in de parochiekerk hier in Galmaarden, zijn geboortedorp. Onder de kerkgangers herkende hij meteen zijn vader. Zielsgelukkig trokken beiden na de hoogmis naar huis.
Pieter werd echter geen rust gegund. Hij werd door de veldwachters gezocht als deserteur en vond een veilige schuilplaats in het “Krullekensbos”. Vooral de veldwachter van Vollezele stond bij de bevolking slecht aangeschreven en zeker door deserteurs gevreesd. Tijdens een marktdag te Galmaarden kreeg de arm der wet een ferm pak rammel en vertoonde zich later niet meer.
 
Pieter werd uiteindelijk met rust gelaten. Om zijn belofte te volbrengen en uit dankbaarheid plaatste hij eerst een kruis voor de ouderlijke woning. Dat kruis werd later vervangen door de huidige kapel op de Rodeweg. Bij overlijden van een gehuchtbewoner werd in de kapel de rozenkrans gebeden. Een heugelijke gebeurtenis of bij het vertrek van een lijkstoet naar de parochiekerk werd het klokje geluid. Gedurende de meimaand werd er elke dag een rozenkrans gebeden. Ook ging men er bidden ter ere van het Heilig Kruis in geval van hevige koorts. Men hing dan een lintje, dat in contact was geweest met de zieke aan de voeten van het kruisbeeld.
 
Er bestaan nog meerdere versies van het verhaal van “Pieter Claus soldaat van Napoleon” die mondeling werden doorverteld.
 
De meeste verhalen zijn zowat hun eigen leven gaan leiden en zijn erg geromantiseerd. En ook niet alles is historisch te achterhalen.
Wat we met zekerheid weten is dat de kapel er is gekomen. Pieter zou al overleden zijn en het is Pieter’s zoon Baptist, die ook als landbouwer op het hoevetje woonde en werkte, deze zou dit gerealisseerd hebben als herkentelijkheid tegenover zijn vader. Boven de kapeldeur staat het jaartal 1865 gebeiteld, het einde van de bouw.
 
Nog heden ten dage wordt er zorg gedragen voor de kapel en zijn er gebedsmomenten. Ook recent, bij het naderende einde van Jefkes leven ging de familie en vrienden er bezinnen. Het is nog steeds een plek die mensen samenbrengt. 
 
Marie-Rose bracht twee gedichten van haar vader Marcel Bellemans:  
  
                                                              Bij de dood van een vriend.
 
                                                        Ik heb vandaag een verre vriend verloren.
                                                        Ik voel een leegte in mijn geest.
                                                        Maar morgen wordt hij als herboren,
                                                        als ik opnieuw de brieven lees
                                                        die hij me regelmatig schreef
                                                        over de duizend en één dingen
                                                        die hier op aard ons bezig     hielden.
                                                        Nooit wist de tijd de sporen,
                                                        Van hoe het vroeger is geweest.
 
                                                                                        Marcel Bellemans, januari 1997
 
 
                                                                     De tweede dood.
 
                                                       Ze hadden in stilte veel lauweren verworven,
                                                       door steeds hun plicht te doen vanaf het uur dat ze elkaar trouwden.
                                                       Zij werkten, zorgden, minden. De liefde maakte hen sterk!
                                                       Bij nacht zoals bij dag gaven ze hun kinderen steun en troost,
                                                       want kinderen en gezin waren hun levenswerk!
 
                                                       Maar kleintjes worden groot in het moderne leven.
                                                       De ouders dan, die worden oud, verzwakken, hoeven zorgen.
                                                       Maar zoon noch dochter heeft de tijd iets weer te geven aan innigheid en zorg, waarin zij, eer,                                                                 waren geborgen.
                                                       Nu zijn ze in het rusthuis, geweerd uit eigen thuis!
                                                       Zij staan daar, hand in hand, alleen, zo moe, moreel gestorven.
 
                                                       De zwakste werd vandaag aan d’ aarde toevertrouwd.
                                                       Vaag galmt een laatste klokkentoon bij het eind van dit bestaan.
                                                       Rondom het graf wordt door de kinderen diep gerouwd.
                                                       De dienst was prachtig, veel volk, ze zijn zo fier en zelfvoldaan.
                                                       Aan’t dodenmaal zijn ze eerst plechtig, ietwat benauwd,
                                                       maar spoelen de kronkels weg, en het rumoer zwelt alsmaar
                                                       aan.
 
                                                       In ’t rushuis zit de ander, suf, naar niets te staren.
                                                       Uit doffe ogen glijden tranen door het gegroefd gelaat.
                                                       Niets kan zijn verdriet, ook maar even, doen bedaren.
                                                       Zij waren met elkaar vergroeid, steeds elkaars troost in nood.
                                                       Ineens wordt hij dan stil, berustend, zelfs verlangend
                                                       wacht hij haar af, als een verlossing, die zachte tweede dood. 
 
           
 
Op het einde van het samenzijn bedankte Ludo Van Paepegem in naam van erGoed:
 
• Amicato o.l.v. Leen Dubois voor de sfeervolle muziek
• Lieven Vandeneucker en Eddy Peremans voor het liedje geschreven bij het overlijden van Lieven’s moeder
• Yolien Mertens en Kelly Bergmans beiden van de toneelvereniging Wilskracht en Vreugd Galmaarden, Marie-Rose Bellemans van      de toneelvereniging Help Elkander Vollezele en Diane Mertens, de trouwe lezers
• de kerkgroep van Tollembeek en de steun van de gemeente Pajottegem. 
• alle aanwezigen om dit bezinningsmoment samen in een vrome en aangename sfeer te beleven. 
 
“We vormen nu samen Pajottegem en ook in een veel grotere gemeente is het fijn mensen te verbinden, mensen samen te brengen”, alsnog erGoed.     
 
Het troost- en bezinningsmoment werd afgesloten met een passend stuk muziek gebracht door Amicato. 
 
                                    
 
Foto’s en video:  ©Chris Noerens

Nieuws melden Adverteren op Persinfo?