“Wie in een dorp woont, heeft evengoed recht op een veilig fietspad als wie in een centrumstad woont.”
De manier waarop Vlaanderen investeert in mobiliteit en openbare werken moet grondig worden hervormd. Dat stelt Pajottegems burgemeester en Vlaams Parlementslid Kris Poelaert nadat het Rekenhof vernietigende conclusies trok over het Geïntegreerd Investeringsprogramma (GIP), het systeem waarmee Vlaanderen beslist welke infrastructuurprojecten worden uitgevoerd. Volgens Poelaert dreigen landelijke gemeenten daarbij systematisch uit de boot te vallen.
Het GIP bepaalt jaarlijks welke wegen worden vernieuwd, waar nieuwe fietspaden worden aangelegd en welke mobiliteitsprojecten Vlaamse investeringsmiddelen ontvangen. Met een jaarlijks budget van honderden miljoenen euro is het één van de belangrijkste instrumenten voor de uitbouw van een veilige en duurzame mobiliteit. Net de manier waarop die middelen worden verdeeld, krijgt nu stevige kritiek van het Rekenhof.
“Wie in een dorp woont, heeft evengoed recht op een veilig fietspad als wie in een centrumstad woont”, zegt Poelaert. “Vandaag zien we echter dat grote, prestigieuze infrastructuurprojecten veel gemakkelijker groen licht krijgen, terwijl kleinere maar maatschappelijk bijzonder belangrijke projecten jarenlang blijven aanslepen. Dat is moeilijk uit te leggen aan inwoners die dagelijks gebruikmaken van onveilige wegen.”
Gebrek aan transparantie
Naast de ongelijke verdeling van de middelen hekelt Poelaert ook het gebrek aan duidelijkheid voor lokale besturen. Gemeenten weten vaak niet waarom projecten worden uitgesteld of wanneer Vlaamse investeringen uiteindelijk zullen plaatsvinden.
“Als lokaal bestuur moet je rioleringswerken, heraanleg van wegen en ruimtelijke plannen op elkaar afstemmen. Dat wordt bijzonder moeilijk wanneer je geen duidelijk zicht krijgt op de Vlaamse planning. Soms hoor je pas achteraf dat een project wordt uitgesteld of geschrapt. Dat zorgt voor frustratie én inefficiënt gebruik van publieke middelen.”
Rekenhof bevestigt bezorgdheden
Volgens het rapport van het Rekenhof worden projecten niet altijd op een uniforme en transparante manier beoordeeld. Bovendien stemmen de uiteindelijke keuzes niet altijd overeen met de vooraf bepaalde beoordelingscriteria.
“Het rapport bevestigt wat veel lokale besturen al langer ervaren”, vervolgt Poelaert. “Kleine gemeenten beschikken niet over dezelfde slagkracht als grote steden, maar daarom zijn hun projecten niet minder belangrijk. Investeringen moeten gebeuren op basis van objectieve criteria en maatschappelijke noodzaak, niet op basis van onduidelijke afwegingen.”
Oproep tot eerlijke kansen voor elke gemeente
Tijdens de bespreking in de Commissie Mobiliteit bracht Poelaert de problematiek onder de aandacht van Vlaams minister van Mobiliteit Annick De Ridder. Namens cd&v pleit hij voor een grondige hervorming van het investeringsprogramma, met duidelijke spelregels, maximale transparantie en een eerlijke spreiding van de middelen over heel Vlaanderen.
“Veilige fietspaden, verkeersveiligheid en leefbare dorpen mogen geen tweederangsprioriteit zijn. Elke Vlaming, ongeacht waar hij of zij woont, verdient dezelfde kansen op veilige infrastructuur. Vlaanderen moet daarom investeren waar de nood het hoogst is, niet waar projecten het meeste politieke of mediatieke gewicht hebben.”
“Een eerlijk investeringsbeleid betekent dat ook landelijke gemeenten de middelen krijgen die ze nodig hebben om hun inwoners veilige en kwaliteitsvolle mobiliteit te bieden. Dat is geen gunst, maar een recht.”