
Maurits van Liedekerke ging in op een vraag vanuit de cultuurdienst van Huldenberg* om herinneringen aan Zjef Vanuytsel, (die in het dorp 10 jaar geleden overleed), te schrijven. Omdat ik de man gekend heb, stuurde ik een verhaaltje. Nu blijkt dat met de inzendingen niks gebeurt, stuurt hij de tekst naar vrienden her en der. Zo is niet alles foetsie... We delen de homage graag met onze lezers.
In herinnering aan ZJEF VANUYTSEL
Zjef Vanuytsel herdenken is op de eerste plaats naar zijn liedjes luisteren, daar krijg je nooit genoeg van. Meteen stromen de herinneringen als een onophoudelijke waterval. Dan zing je mee, dan ken je de teksten weer vanbuiten, dat weet je opnieuw waar je ze voor het eerst hoorde.
En over dat “voor het eerst” is het in mijn herdenking te doen.
Midden de jaren zestig was Zjef leerling-architect aan Sint-Lukas in de Paleizenstraat te Schaarbeek. Tijdens de middagpauzes haalde hij wat graag zijn gitaar boven en konden de medestudenten horen dat er een artiest in de maak was. Komende vanuit het “verre” Meerhout in de Antwerpse Kempen, bewoonde Zjef een ‘kot’ in de onmiddellijke buurt van het instituut. Vandaaruit was het maar een wandeling naar de Brusselse binnenstad.
Vaak naar Meerhout terugkeren, zat er blijkbaar niet in. Grootstad Brussel had deze knaap, die in het strenge Klein Seminarie van Hoogstraten middelbare school had gelopen, zoveel meer te bieden. Die gegroeide afstand spreekt o.m. uit de tekst Stil in de Kempen (2007), het liedje dat Zjef schreef naar aanleiding van het overlijden van zijn ouders. Een fragment:
Terwijl de tijd ons ontvreemde
van het verleden van thuis
en onze zielen ontheemde.
’k Ging veel te weinig naar huisC:\Users\Gebruiker\Dropbox\Mijn pc (LAPTOP-K7CD3CG1)\Documents\Zjef 2.docx
terwijl je wist dat dit alles
ooit op een dag eindigen zou.
Zjef bracht het nummer in De Zevende Dag op zondag 2 maart 2008. Alsof het gisteren was. Nu op YouTube. Ik luister er vaak naar.
Geen laatste trein, het frietkot dicht…
Eind jaren zestig mochten we genieten van Vanuytsels talent toen een jeugdvriend (architect Jos Van Herzeele †) ons zijn klasgenoot op Sint-Lukas aanraadde om een plaatselijke muziekavond op te fleuren. Zjef antwoordde meteen ja, maar stelde enkele voorwaarden: de treincoupon Brussel-Denderleeuw heen-en-terug betalen, op tijd een pils en vóór de laatste trein een pak friet.
Maar die laatste trein naar Brussel-Noord was reeds lang vertrokken en het frietkot dicht. Dus ging Zjef mee naar huis waar de rest van de familie reeds in bed lag. Zjef voelde een hongertje. Dus bakten we elk een paardenoog, gingen naar mijn klein kamerken en kropen samen in bed, de gitaar ging mee...
Maar even terug in de tijd…
Oudere broer Raf was missionaris in het pas onafhankelijke Belgisch-Congo. De eerste jaren van de nieuwe staat waren tumultueus. Ook in de provincie Oost-Congo (nu Tshopo) waar hij op een missiepost leraar was, was het volop heibel met rebellen die onder de naam Simba’s (leeuwen) de regio wilden overnemen en alles wat blank en dus kolonialistisch was, wilden vernietigen. Dat daarbij honderden doden - veelal kloosterlingen - vielen, staat nog steeds in het geheugen van vele Vlaamse families gegrift. Door een toeval was broer Raf die zomer thuis toen de ergste taferelen zich in zijn missieregio afspeelden. Zijn oversten verboden hem terug te keren naar Congo en stelden voor dat hij in afwachting aalmoezenier bij het Belgisch leger in Duitsland zou zijn. Wat hij ook deed.
Even thuis met Kerst bracht broer vanuit Duitsland een cassetterecorder mee. In de sprankelende jaren zestig een onmisbaar werktuig voor tieners die volop genoten van wat de toenmalige muziekwereld aan chansons, protestsongs en folk te bieden had.
Een zotte morgen…
Onze slaapnacht eindigde in de late zondagvoormiddag. Het eerste wat Zjef deed was zijn gitaar grijpen en tokkelen. In onderbroek op het bed gezeten, kwamen de nummers die hem de avond voordien zoveel applaus hadden bezorgd, aan bod: Hop Marlène, Houten Kop, Ik weet wel mijn lief… En zoveel ander moois!
Ondertussen draaide de cassetterecorder. Al de liedjes die in 1970 Zjefs eerste album De Zotte Morgen zouden sieren, werden opgenomen. De LP werd een waar succes, niet minder dan 100.000 exemplaren gingen over de toonbank.
Aan de middagtafel was Zjef zeer spraakzaam, zijn Kempische tongval trok de aandacht. Het maakte hem sympathiek, vond moeder. Zijn taal leek op deze van haar schoonzoon uit Westerlo, een boogscheut van Meerhout. Op haar vraag waarom hij zo’n gemoedelijke jongen was, antwoordde Zjef: “Dat komt door mijn moeder, ze is vroedvrouw van beroep.”
… in de brousse…
Toen de ergste troebelen er achter de rug waren, keerde broer Raf naar Congo terug. Hij nam de cassetterecorder mee, het cassetje incluis.
Het stond te lezen in een van de brieven die hij naar huis schreef. Het waren nog die luchtblauwe flinterdunne vellen briefpapier die By Air Mail verzonden werden. Raf vertelde dat hij vaak naar de liedjes had geluisterd en hoe hij daarvan had genoten. Vooral van dat ene zinnetje : “… en een zoon pater dat is voor later.”
Wat mooi, dacht ik… Tot Raf wat later liet weten dat Simbarebellen de missiepost opnieuw overvallen hadden en alle kostbare zaken manu militari hadden meegenomen. Ook de cassetterecorder én de cassette met Zjefs liedjes.
En zo verdween De Zotte Morgen voorgoed in de brousse van Oost-Congo!
Maurits van Liedekerke